Welke signalering moet permanent aanwezig zijn volgens artikel 8.2 van de Arboregeling?

Artikel 8.2 van de Arbeidsomstandighedenregeling beschrijft welke vormen van veiligheidssignalering permanent moeten worden toegepast. Permanent betekent dat de signalering continu zichtbaar en herkenbaar aanwezig is, ongeacht tijdstip, gebruik of werksituatie.

Volgens dit artikel moet permanente signalering worden aangebracht voor:

  • Verboden, waarschuwingen en geboden, en voor de lokalisatie en identificatie van reddings- of hulpmiddelen (door middel van veiligheidsborden);
  • Brandbestrijdingsmateriaal, zoals brandblussers en brandslanghaspels, aangeduid met borden of een veiligheidskleur (rood);
  • Obstakels en gevaarlijke plaatsen, gemarkeerd met veiligheidskleuren of borden;
  • Verkeerswegen, zoals rij- en looproutes, gemarkeerd met een veiligheidskleur;
  • Leidingen (bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen), die herkenbaar moeten zijn gemarkeerd.

Het doel van deze permanente signalering is dat risico’s en voorzieningen altijd direct zichtbaar zijn, ook voor personen die niet bekend zijn met de locatie of de werkzaamheden.

In de praktijk betekent dit dat signalering niet afhankelijk mag zijn van losse instructies of tijdelijke maatregelen. Veiligheidsborden, vloermarkering, leidingmarkering en – waar passend – stickers vormen samen een vast onderdeel van de inrichting van de werkplek.

Voor de vormgeving en herkenbaarheid wordt in Nederland doorgaans aangesloten bij NEN 3011 en de internationale pictogrammen uit ISO 7010. Daarmee sluit de uitvoering van de signalering aan op de eisen uit de Arboregeling en ontstaat een consistent en begrijpelijk geheel.